Hoe weet ik of mijn kind wordt gepest?

 

En wat kan ik hieraan doen?

De gebeurtenissen rond Tim Ribberink en Fleur Bloemen raakten vele mensen. De twee jongeren konden na jaren gepest te zijn nog maar één uitweg bedenken: uit het leven stappen. De ouders van Tim en Fleur wisten niet dat hun kind werd gepest en zij zijn niet de enigen.

 

Zittend op een zwarte kruk in een leeg lokaal staart de 19-jarige Carolien* voor zich uit. Het is al een tijdje stil. Ze zucht, draait zich om en zegt: “Ik durf niet met mijn ouders te praten over de tijd dat ik gepest werd. Ik wil het wel, maar ik weet niet hoe. Ik ben bang om ze te vertellen wat het met me heeft gedaan en wat het nog steeds met me doet Het is niet mijn bedoeling om ze een last op hun schouders te leggen.” Weer blijft het een poosje stil. “Maar ik denk wel dat het belangrijk voor mij en voor hen is dat ze het weten.”

Carolien fietste elke dag twintig kilometer naar haar middelbare school. Voor haar pesters was dit een makkelijke aangelegenheid om hun slachtoffer te treiteren. “Ze gooiden vaak aangebroken sneetjes brood of brandend papier naar me,” vertelt Carolien. “Of ze vertrokken tien minuten eerder van de afgesproken plek, zodat ik alleen moest fietsen. Ik voelde me heel ongelukkig en wist niet wat ik moest doen. Ik wilde aan de ene kant wel hulp, maar durfde het om allerlei redenen niet te vragen.”

 

Onzekerheid

Opvoeddeskundige Marinka van den Bosch noemt een aantal redenen dat gepeste kinderen het niet aan hun ouders durven te vertellen. “Allereerst is het belangrijk om te weten dat een gepest kind erg weinig zelfvertrouwen heeft, waardoor de stap om het te vertellen steeds groter wordt,” legt ze uit. “Kinderen schamen zich vaak voor het feit dat ze gepest worden, waardoor ze het niet durven te vertellen en hun ouders niet teleur hoeven stellen. Slachtoffers van pesten denken ook vaak dat het hun schuld is en durven daarom hun gevoelens niet te uiten. Bovendien zijn ze bang dat het pesten alleen maar erger wordt als ze het hun ouders of leerkrachten vertellen.”

Volgens Van den Bosch komen deze redenen voort uit de onzekerheid en een negatief zelfbeeld die een slachtoffer bezit. Carolien kan hierover mee praten, aan alles is te merken dat het pesten haar erg onzeker heeft gemaakt en ze kan bijna geen positief woord over zichzelf zeggen. “Ik weet dat ik heel negatief over mezelf denk. Velen zullen denken dat ik me aanstel of om aandacht vraag, maar ik wil juist heel positief over mezelf zijn,” zegt ze. “Het lukt me alleen niet.”

 

Samen

Waar Carolien moeite heeft om haar ouders bij het pesten te betrekken, heeft Herman dat vanaf het begin wel gedaan. “Ik vertelde altijd wat er gebeurd was, in de hoop dat er wat aan gedaan kon worden,” aldus de 25-jarige gepeste. Dit werkte niet, maar dat neemt niet weg dat Herman blij is dat hij zijn ouders er altijd bij heeft betrokken. “Je hebt het gevoel dat je niet alleen staat, je ondergaat het samen.”

Herman werd twaalf jaar lang gepest door Duuk*, een jongen uit een dorp in Overijssel waar Herman in 1995 met zijn gezin kwam wonen. “Ik was nieuw en in een klein dorp is dat opvallend, wat je al snel het slachtoffer van pesten maakt. Op de basisschool werd ik vanaf het begin niet geaccepteerd, met name door Duuk,” vertelt hij. “Hij sloeg me in elkaar, vernielde mijn fiets en wachtte me vaak op na schooltijd.” Duuk was niet de enige die hem pestte, ook op de middelbare school was Herman slachtoffer. De pesterijen gingen van kwaad tot erger, met als dieptepunt dat zijn pesters hem laxeermiddelen gaven. “Mijn ouders zochten samen met mij naar een oplossing. Door mijn ADHD besloten we dat ik speciaal onderwijs moest volgen en dat heeft me heel erg geholpen.”

 

Ook Nadiah* en haar man ondergaan samen met hun tienjarige dochter het pesten. “Ze wordt in groepsverband gepest, mag nooit meedoen met gezamenlijke spelletjes op het schoolplein en krijgt altijd nare opmerkingen te horen,” verwoordt Nadiah. “Het gaat zelfs zo ver dat ze haar beste vriendinnetje bedreigen als ze nog langer met onze dochter omgaat.” De dochter van Nadiah en haar man is altijd heel open geweest richting haar ouders, waardoor zij al vanaf het begin wisten wat er speelde. “Het is heel belangrijk om naar je kind te luisteren en om samen met haar het probleem aan te gaan,” vindt Nadiah. “Laat hem of haar weten dat ze nooit alleen zijn.”

 

 

 

 

 

Communicatie

Het is voor te stellen dat ouders bezorgd zijn over het feit dat hun kind misschien gepest wordt. Een heleboel signalen kunnen erop wijzen dat een kind slachtoffer is van pesterijen (zie het kader ‘Signalen’). Volgens Van den Bosch is communiceren echter de belangrijkste troef om erachter te komen of je vermoedens juist zijn. “Blijf altijd alert en oprecht geïnteresseerd in je kind,” legt ze uit. “Praten is heel belangrijk in de opvoeding, dus ook bij het signaleren of aanpakken van pesten.”

Michelle de Wit, studente Kunstzinnige Therapie en stagiaire in het speciaal onderwijs, valt Van den Bosch bij. “De houding van de ouders is een belangrijke factor,” beaamt ze. “Over het algemeen vertelt een kind meer als hij of zij zich er goed en veilig bij voelt. Op het moment dat ouders een neutrale houding tegenover pesten aannemen, haalt het de zware lading van het gepest worden af.” Als een moeder tegen haar kind zegt ‘Ik zal die pestkop eens goed aanpakken’, zal een kind het veel minder snel vertellen dan wanneer een moeder zegt ‘Goh, wat naar dat je gepest wordt, zullen we samen naar een oplossing zoeken?’ Pesten is natuurlijk nooit goed, maar als een ouder zijn of haar eigen lading eraan geeft, wordt de drempel om het te vertellen voor het kind alleen maar groter.

 

Gezin

Het pesten heeft niet alleen effect op de gepeste, maar ook op de directe omgeving van hem of haar. Ouders voelen zich vaak schuldig en verantwoordelijk. Ze hebben het gevoel dat ze het probleem moeten oplossen en maken zichzelf daarbij verwijten. Het is voor te stellen dat dit invloed heeft op het wel en wee van zowel ouders als hun kind. “De slapeloze nachten zijn niet op één hand te tellen,” vertelt Nadiah. “Op het moment dat onze dochter met iets negatiefs uit school komt, moet je haar serieus nemen en het negatieve ombuigen in het positieve. Voor haar helpt het, maar wij blijven met het negatieve gevoel zitten. Ze is zo gevormd door het pesten, dat we ons heel erg zorgen maken over haar toekomst.”

Jan, de vader van Herman, zat met dezelfde gevoelens als Nadiah. “Je wordt ongelukkig, omdat je kind ongelukkig is. Als vader of moeder ben je verdrietig als je ziet dat je kind zo wordt behandeld,” zegt hij. “Je wilt iets doen, maar weet niet wat. Machteloosheid overheerst.”

De gevolgen die Nadiah en Jan noemen, is voor Carolien onder andere een reden om niet met haar ouders over pesten te praten. “Ik heb door dat het voor hun niet makkelijk is dat ik werd gepest. De gevolgen die pesten met zich meebrengt, houd ik altijd last van. En ik niet alleen, ook mijn ouders. Ik heb het er wel eens heel kort met ze gehad over die tijd, maar ze wilden er niet graag over praten. Mijn zusjes weten van niets,” vertelt ze.

 

Van den Bosch geeft aan dat pesten niet alleen invloed heeft op de ouders en het gepeste kind, maar op het hele gezin. “Het slachtoffer is vaak verdrietig en boos en dat heeft invloed op de eventuele broertjes en zusjes van hem of haar en op de sfeer in huis,” aldus de opvoeddeskundige. “Ook kan het zijn dat de aandacht in het gezin volledig richting het gepeste kind gaat, waardoor andere gezinsleden hierdoor ‘vergeten’ worden. Als ouder is het daarom van belang je te richten op de oplossing en op alle gezinsleden. Blijf open communiceren, zodat elk gezinslid als even belangrijk wordt gezien.”

 

Oplossen

Op het moment dat ouders erachter zijn gekomen dat hun kind wordt gepest, komt al snel de vraag: hoe kan dit opgelost worden? Het probleem helemaal oplossen is moeilijk, maar er zijn altijd een aantal dingen die helpen. Volgens Van den Bosch is het belangrijk om het kind aan de praat te krijgen en hem of haar laten vertellen. “En neem wat zij of hij zegt serieus, luister met al je aandacht en steun je kind. Help het zelfvertrouwen van het kind op te bouwen, dus gebruik geen termen als ‘negeer de pester’ of ‘probeer flink te zijn’.” Het zelfvertrouwen opbouwen van het kind is heel belangrijk in het proces. Dit kan geholpen worden door het kind te stimuleren om dingen te doen die hij of zij goed kan en om veel complimenten te geven.

Ook meent de opvoeddeskundige dat het van belang is om samen met je kind een plan van aanpak te maken. Het kind moet hier invloed op hebben, zodat hij of zij weet wat en waarom iets gebeurt. Het is tevens belangrijk dat de leerkracht op school ingelicht wordt, hoe moeilijk dat ook is voor het slachtoffer. De Wit stemt hier mee in. “Praten met de leerkracht is van groot belang, maar het is aan de leerkracht zelf om er wat mee te doen. Een andere manier om hulp te bieden is het kind een website aanbieden waarop het kind zelf opzoek kan naar kinderen in dezelfde situatie en naar oplossingen.”

Verder is het belangrijk om het kind zich te laten uiten. “Niet elk kind wil of kan goed praten, dus dan kunnen ouders denken aan tekenen, knutselen of een rollenspel,” zegt Van den Bosch.

 

‘Ik geef er nooit aan toe’

Volgens Herman is het belangrijk dat het slachtoffer en zijn of haar ouders naar een oplossing zoeken. Zelf deed hij dat alleen. “Het ging steeds slechter met me en ik wist dat er iets moest veranderen. Ik nam veel tijd en rust voor mezelf, dacht veel na en concludeerde dat ik de negatieve dingen die mensen over mij zeggen langs me heen moet laten gaan,” vertelt hij. “Nu gaat het wel goed met me, maar in de ‘donkere maanden’ schieten er vaak beelden van vroeger door me heen en voel ik me wat minder.”

Ook Carolien merkt dat ze zich langzamerhand iets beter voelt. “Ik durf veel meer dan vroeger, dat is al een hele stap vooruit,” zegt ze met gepaste trots. “Ik denk dat het ik wel red, ik kan het. Het is mijn pesters wel gelukt om mij de grond in te trappen, maar ik geef er niet aan toe. Nooit.”

 

*Wegens privacyredenen zijn de namen van Carolien, Nadiah en Duuk fictief.

 

Kader ‘Signalen’

– Het kind wil/durft niet meer naar school. Het zoekt uitvluchten/smoesjes;

– Het kind vertelt niks meer over school als hij of zij thuis komt;

– Het kind neemt geen klasgenoten mee naar huis om te spelen;

– Slechte prestaties;

– Slaapproblemen of nachtmerries;

– Concentratieproblemen;

– Het kind is somber, futloos en vertoond teruggetrokken gedrag;

– Als het kind vaak beschadigde spullen heeft of vaak spullen is kwijt geraakt;

– Lichamelijke klachten zoals hoofdpijn/buikpijn;

– Het kind heeft blauwe plekken.

About the author